Op de weg vanaf Uxmal waren we een haciënda tegen gekomen. Althans volgens onze kaart. Dit zou nu een museum zijn, waarin je kon zien hoe het leven begin twintigste eeuw op een haciënda was. We waren ter plaatse van Yaxcopoil (je spreekt het ongeveer uit als Jasjoopojl) van de snelweg af gegaan, maar de haciënda hadden we niet gevonden. Toen hadden we besloten door te rijden, maar het knaagde aan me. Ik wilde het toch wel erg graag zien en vandaag besloten we nogmaals terug te rijden.
Verbazingwekkend genoeg reden we er nu in één keer naar toe. Zoals de Engelstalige tekst die we ontvingen in het museum aan gaf, ving de karakteristieke Moorse dubbele boog onmiddellijk het oog. Hoe hadden we dit kunnen missen?
Eerst dachten we dat de haciënda misschien gesloten was, maar wij bleken de enige bezoekers. Na binnenkomst gingen we even op de bankjes onder de veranda aan de achterzijde zitten om de Engelstalige beschrijving te lezen en gedeeltelijk te vertalen voor Joja. Toen ik daar bijna klaar mee was kwam er een oud mannetje naar ons toe. Hij begon te vertellen over de plantage. Hij sprak zo langzaam Spaans, dat zelfs wij de essentie begrepen. Hij begon bij de schilderijen van de laatste eigenaar-bewoners. Twee statige portretten van een heer en een dame. Daarna attendeerde hij ons op twee portretten van hun kinderen. De jongen was overleden, maar het meisje was getrouwd en had drie kinderen gekregen. Nu loodste hij ons naar een foto, waar de drie kinderen op te zien waren. Hij wees de linkerjongen aan die trouwde met de dame op de foto aan de andere zijde van de kamer. Zij kregen maar liefs vijf kinderen en hij nam ons weer mee terug naar de receptie waar een foto hing van vijf netjes poserende kinderen. Hier wees hij op het meisje met het rustige gezicht. Zij was de huidige eigenaar van de haciënda.
Op de binnenplaats had ik me onrustig gevoeld. Wellicht door George zijn woorden over dat de Maya-arbeiders op deze plantage drieduizend bladeren per dag moesten oogsten. Drieduizend bladeren, dat leek wel slavenarbeid. Maar nu ik binnen werd rondgeleid door deze rustige oude man, voelde ik ook de schoonheid van weleer.
Hij liet ons de woonkamer zien en de kapel. Voordat hij binnen ging sloeg hij bijna onzichtbaar een kruisje en nam hij zijn versleten baseballpetje af. Door zijn eerbied voelde ik meer heiligheid in deze kleine kapel dan ik in alle kerken hiervoor in Mexico had gevoeld. Mijn oog viel op de bidstoel waar nog knieafdrukken in stonden en ik realiseerde dat die waarschijnlijk van onze gids waren.
Daarna liet hij ons de badkamer zien. Versleten grandeur kon niet verhullen hoe luxe het hier geweest was en hoe vervallen het nu was. Het bad op leeuwenpoten bladderde.
Hij wees een prachtige porselijnen schaal aan en legde uit waar die voor diende. We begrepen het niet. Hij legde het nog wel drie keer uit, totdat we konden ontcijferen dat het een dekschaal geweest kon zijn om het eten op te dienen. Hij keek met ondeugende ogen naar me, die me deden denken aan mijn schoonvader. Of je kon er je pruimtabak in spugen. Hij maakte een spuuggebaar en ik snapte hem meteen. We moesten allemaal lachen.
Daarna kwamen we in een gedeelte met schatten uit de opgravingen uit de Maya ruïnes dichtbij. Ik verbaasde me over de vele schalen en er was mooi beeldhouwwerk. Vervolgens nam hij ons mee over een veld dat gebruikt werd om geiten te laten grazen en tevens dienst deed als trapveldje voor locale jongens naar de oude fabriek. Achter twee bijzonder scheve, vervallen deuren stond een beest van een machine. Het leek of hij zo weer ontstoken zou kunnen worden. Het was de motor van de Sisal-plantage. Het vliegwiel was meer dan drie meter in doorsnede en in het plafond zag je de wielen die het vroeger in beweging had gebracht. Aan de achterzijde had je uitzicht over wat vroeger de velden geweest waren. Het landgoed had tegenwoordig minder dan 3% van zijn oorspronkelijke grootte. Aan onze linkerhand lagen de ateliers, waar de vezels verder werden verwerkt. Daarvoor in de zon stonden tientallen constructies waaraan de vezels te drogen hadden gehangen. Naast de machine kamer was een verhoogde verdieping waar de machines stonden die de bladeren tot bruikbare vezels hadden verwerkt.
We waren onder de indruk. Alles was vervallen, maar toch kon je hier de smaak van verloren tijden zo duidelijk proeven.
We dachten dat de rondleiding voorbij was, maar tot onze verbazing opende hij een andere poort naar de tuin. De uitgestrekte tuin bevatte ook een Cenotte, een grot met schoon water. Hier was een schacht voor gebouwd, zodat er water omhoog gepompt kon worden. Voor het ingenieuze irrigatiesysteem van de tuin, voor de twee zwembaden en voor het gebruik in huis en in de fabriek.
We dronken nog wat om de indrukken te laten bezinken. Jojanneke vond twee poezen om te aaien. Ze mist Pluis. Ik ontdekte een souvenirwinkeltje en vond de perfecte schaal voor mijn moeder. Ik had al vaker rondgekeken voor een schaal voor haar, maar had steeds niet de juiste gevonden. Ik gunde deze sympatieke man ook de klandizie.
Toen we afscheid namen gaf ik hem een hand en Mickel bedankte hem nogmaals. Wederom een bijzonder mens die de tijd had genomen om ons in zijn kennis te laten delen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten